> beatrijs

kl

 


Beatrijs is een Maria-legende uit de veertiende eeuw. Het enige handschrift waarin de legende overgeleverd is dateert van kort voor 1374. Omdat het oorspronkelijke werk geen titel had geeft men aan het stuk meestal de naam van het hoofdpersonage, Beatrijs.

Ook in latere tijden heeft het Beatrijs-motief diverse schrijvers genspireerd. In 1908 verscheen van P.C. Boutens het uit vierregelige strofen opgebouwde gedicht Beatrijs. Het gedicht is opgedragen aan Albert Vogel, een populaire voordrachtskunstenaar in die tijd. Rie Cramer ontwierp de Jugendstil omslag van het door van Dishoeck uitgegeven boekje.

In 1921 componeerde Alexander Voormolen muziek bij deze versie.
De uitvoering van Tommie (piano en voordracht) is hieronder te beluisteren, een CD/DVD is nog niet uitgebracht.



Het verhaal

Beatrijs is kosteres in een klooster. Op een dag wordt zij verliefd op een jonge ridder en na een innerlijke strijd kiest ze voor het wereldse leven. Als zij vele jaren later terugkeert blijkt tot haar verbazing niemand dit op te merken, men is slechts in rep en roer vanwege een Mariabeeld dat ooit uit de hal verdween en er plots weer staat. Beatrijs beseft nu dat het beeld destijds tot leven gekomen is en dat Maria al die tijd haar plaats heeft ingenomen...!


nnn

   Tommies 30 minuten durende uitvoering uit 2011 - download  (28 mb met rechter muisknop) of beluister. Klik op de volgende link:

  Beatrijs.mp3

        

  

   web links (deze openen in een nieuw venster)

    Een gedanste Beatrijs Tommie in een pas de deux als ridder...! -  krantenartikel

   Tommie & het internet:   www.tommiepiano.com  -  www.pushbiker.com  -  pushbiker@home.nl

   wikipedia:  Beatrijs  -    Alexander Voormolen  -  Pieter Cornelis Boutens

   Uitvoering van Fien de la Mar en Isja Rossican uit 1959

 

 

Beatrijs

Dit is van zuster Beatrijs,
Van vordat zij herboren werd
Als rijzige roos van 't Paradijs
Naast aan Maria's hart.

Die had dat uitverkoren deel
Van blijdschap zonder vlek of scheur,
God lief als lied uit vooglekeel,
Als bloemengeur.

Want geen die vlekloos dragen kan
Door aardsche vreugd en aardsche smart
De zachte lamp van blijdschap dan
De eenvoudigen van hart.

Die scheen door haar kap en witte pij
En 't blank ovaal van haar gelaat,
Als maan doorlicht de wolken sprei -
Men weet niet waar zij staat.

Zij was de jongste der zustren al
En needrig was haar dienst en werk:
Zij luidde de klok en keerde de hal
en de stille lege kerk.

En sloot en opende de poort
Met handen ter voor dag en nacht,
Als haar stille lach en zachte woord
Der menschen harten placht.

En kende alom in dorp en duin
Al kinderogen diep en klaar
Als in den bonte kloostertuin
De bloemen van het jaar.

En alle vreugd waarlangs zij kwam
schoot op als een bloem en bloeide hoog:
En licht was het deel dat ze overnam
Van smart waartoe zij boog.

De anderen zochten Moeders hart
Met vasten vr en bidden n,
Dat door heur donkre dal van smart
Zij glimp zond van gen -

Of zongen met verrukte stem
Van Moeders leed om den veegen Zoon
En haar blijde pijn in Bethlehem,
En haar glorie voor Gods troon -

Maar of zij vastte of zong of bad,
Haar was of heur leven zelf bewoog
In de straten van Gods lichte stad
En onder Moeders oog.

Zoo was haar doen en zuivre vreugd:
Een orgel dat speelt zacht en ver
Zijn hymnen aan Maria's deugd:
O Hemels Deur, o Morgenster!

En eens op een ochtend in den Mei
Ging ze uit waar smart haar blijdschap riep,
Langs akker en blanke huizenrij,
Toen alles sliep.

Het was de tijd dat de zonne rein
Opstijgt in de ijle klare koelt,
Als ieder schepsel groot en klein
Gods zuivre goedheid voelt.

En buiten het dorp aan der wegen sprong
Kwam door den morgen haar temoet
Een stem die met den leeuwrik zong,
Een ridder goed.

Haar leek bij d'eersten zonnestraal -
Zoo eenzaam was het daar - of een
Der strijdbre heiligen Gods in 't staal
Haar oog verscheen.

Zij kon niet hooren wat hij sprak, -
Was het een vraag, was het een groet? -
Het was als zong de wind door den tak:
Ik min u goed.

Als een gouden pijn doorsneed haar hart
Dat lied zoo wreed, dat lied zo zoet,
Een wonder tussen vreugd en smart
Ik min u goed

Zij keek maar zag niet zijn glanzen haar
Of de lieflijkheid van zijn rooden mond:
Zij zag in ogen brandend klaar
Smart die zij niet verstond.

En keerde en vluchtte, een angstig kind;
En achter haar floot wreed en zoet
Het wanhoopslied van zon en wind:
Ik min u goed.

Zij bad en zong en werkte dien dag
Als een die spreekt en zich niet verstaat,
En vond geen kracht voor blijdschaps lach
Tot in den avond laat.

Haar bloed bonsde in haar oor en slaap
En de gouden pijn stak in haar hart
Om het helder oog van den slanke knaap
En zijn ongetrooste smart.

Geen van haar zustren speurde haar leed,
Geen van haar zustren sprak ze ervan,
Omdat die zelve ziet en weet,
Alleen vertroosten kan.

In de kille hal aan den witten wand
Stond een aloude Lieve-Vrouw
In strakke plooi en steilen stand
Van donker-eiken rouw.

Die was de vertrouwde van Beatrijs,
En alles wat ze deed en dacht,
Verhaalde zij haar in woord en gepeis
Vor iedere nacht.

Want als zij de poort in den avond sloot,
En de stilte sloot het huis om haar heen,
Had ze, als een kind aan moeders schoot,
Moeder voor zich alleen.

Die hooge mond, die ogen strak
Hadden hun heimelijke inneghen -
Een blik die blonk, een lach die sprak -
Voor Beatrijs alleen.

Dien avond boog ze aan Moeders voet
Uurlang haar brandende gelaat
En bad haar fluisterend: Gegroet,
Die alle leed verstaat...

Wel laafde gebed zich uit liefdes stroom,
Maar haar diepste hart bleef ongerust,
Als het hart van het kind dat in den droom
Zijn dode moeder kust.

Zij rees beschaamd als een schuldig kind,
Als wie voor het eerst zich en te laat
Op onbewust geluk bezint:
Als het, verbeurt, ontgaat.

Zoo trad zij naar de donkere poort,
Maar sloot die niet gelijk zij placht,
Een witte schaduw gleed zij voort
Onder den hoogen nacht.

Daar lag de stilte hemelwijd
Doortrild van 't weifelhelder licht
Dat maan met bevende armen breidt
Voor 't naakte nachtgezicht.

Alleen een enkele groote ster
Peilde den zuiver vloeibren vre
Alleen dreunde achter 't steile ver
Het stadig orgel van de zee.

Toen door haar wondzeer harte sneed,|
Als een pijl die door de klaarte schoot,
Van een verdoolde meeuw de kreet?
Van ziel in nood?

Smartelijk sloot haar zachte mond;
Zij week door d'engen duisteren kier
Terug tot waar Maria stond:
Moeder, ik moet van hier.

Zij bond den engen gordel los
Met kruis en kralensnoer;
De volle blanke sleutelbos
Sloeg aan den luiden vloer.

Zij beurde de kap van 't blonde haar,
Dat viel alzijds haar schoudren rond;
Heur open pij, met en gebaar,
Gleed op den grond.

Dat alles le ze aan Moeders voet,
En als een kind dat troost, zoo ter,
Glimlachte zij beslist: Ik moet -
Maar ik kom wer.

Zij stapte naar haar cel en nam
Van 't witte bed de poovre sprei,
Den oude mantel waarin zij kwam.
En bijna blij

Stond zij nog eens aan Moeders voet:
Vaarwel Maria gebenedijd -
Maria keek bezorgden groet,
Maar geen verwijt.

Zij ging door de poort en den slapende tuin,
Zij ging door schaduwstille laan:
Van duistre kim kwam 't gele duin
Nader naar 't licht der maan.

Zo toog die zoete Beatrijs,
Rustig en recht als een die weet,
Haar nachtelijke onzeekre reis
naar 't hart dat om haar leed.

Zij zag niet om, een vlotte schijn
Verdween zij in de duistre pracht
Van het diep en goudelend gordijn
Der verre nacht.

Ineens, als viel een ster, zo stond
De donkre nacht vol van verlichten geur:
Maria's oog en wang en mond
Won gloed en kleur.

Zij zette 't Kindeke van haar arm,
Zij sloeg den mantel van om haar len;
Als een menschkind zo bloot en arm
Stond zij op 't kille steen.

Zij wrong heur haren gebenedijd
Onder de kap van Beatrijs,
Zij sloeg om haar leden gebenedijd
De pij van Beatrijs.

Zij le om heur lendnen 't stroeve koord
Met kralensnoer en kruis,
Zij koos den sleutel en sloot de poort
Van 't nachtelijk huis.

Zij gleed door de gang met stillen tred
Als op een verre hemelsche wijs
Naar de enge cel en 't smalle bed
Van zuster Beatrijs.

Des morgens na de vroege mis
Werd 't klooster luid van vreemde klacht:
Maria wier wil te loven is,
Verliet ons in den nacht.

Heur hoge nis in de hal stond blind,
Heur voetstuk leg
Alleen het kleine Christus-kind
Zat daar en zweeg.

Maar niemand klopte aan de poort omniet,
En uit den hogen torennok
Tampte op zijn tijd heur eender lied
De bronzen klok.

En in den hof van Beatrijs
Kreeg van heur bloemen en zielen veel
Een elk naar eigen oude wijs
Zijn daaglijksch deel.

De zomer guldde 't rijpend graan;
Herfst kleurde 't ooft al goudener;
Van over zee woei winter aan, -
Maar Beatrijs bleef ver.

De nieuwe lente dooide het ijs, -
Toch, diep en goddelijk geduld,
De taak van zuster Beatrijs
Bleef trouw vervuld.

Hoe dikwijls wies de jonge maan?
Hoe dikwijls zong zijn zomerlied
De wind door vloed van koorn en blan -
Beatrijs wist het niet.

Maar eens, een zonnigen Meiedag,
Wist zij haar wereldsch werk verricht:
Zij rees ter andre reis en zag
Haar nieuwen plicht.

Zij voelde heur hart van vreugde diep
Verzegeld als besloten wel.
Het was of haar Maria riep
Van uit haar oude cel.

Zij ging naar de eiken kist en nam,
Diep onder zijden kostbaarhen,
Haar ouden mantel; als zij kwam,
Z ging zij heen.

Zij liep langs weide en klaren vliet
Door al de weelde van 't jonge groen;
Zij rustte met de morgen niet
Of in den noen.

De gaarden bloeiden waar zij toog,
Een vogel zong uit zijn bladeren huis;
Zij stond niet stil: haar oor en oog
Was lang al thuis.

De gouden zon ging onder
Waar de groote zee moest zijn:
Als in een droom kwam over haar
Elk oudbekend refrein:

Zij zong met bijna stille stem
Van Moeders leed om den veegen Zoon,
Van haar blijde pijn in Bethlehem,
Van haar glorie voor Gods troon...

De maan zwol tot een zachter zon
Die reisde vredig met haar me
Nu stond zij waar het dorp begon
Nu hoorde zij de zee

Daar lag haar huis. Een vage schijn
Trad ze uit de duistre pracht
Van het diep en goudelend gordijn
Der verre nacht.

Recht naar de grote donkre deur
Kwam zij door schaduwstille laan,
Door tuin die sliep, als in zijn geur,
In 't licht der maan.

De sombre poort week open wijd
Bij de' eersten klop. Daar stond
Beatrijs roereloos-gewijd
Met bleken mond.

Want de hal hing vol van wonder licht
Als rozegeur in puren brand,
Dat straalde van Moeders aangezicht
Op zoldering en wand.

Want de hal was vervuld van licht geluid
Als veler waatren ver gerucht.
Zij hoorde den klank van vel en luit
Op de doorzongen lucht.

Zoo stond onnoozle Beatrijs
Verheerlijkt met Maria me.
En ademtocht. Der heemlen wijs
Verging in 't lied der zee.

Zij zag hoe Moeder beurde en leid',
Eer licht en lied verzwond,
Heur vingeren gebenedijd
Aan benedijden mond.

Lang gleed de duistre manegloed
Door poort en vensterspleet.
Beatrijs trad naar Moeders voet -
Daar lag haar eigen kleed.

Geen wonder droeg meer wonders schijn:
Heur hart had lang verstaan
Hoe bij God al ons jaren zijn
Minder dan ene maan.

Zij wrong der haren blonde zij
In de oude huif; zij sloeg
Om leden slank de witte pij
Of zij die gistren droeg.

Zij le om heur lend'nen 't enge koord
Met kralensnoer en kruis.
Zij koos den sleutel en sloot de poort
Van 't nachtelijk huis.

En uurlang neeg ze aan Moeders voet
Geknield op 't kille steen;
Maar wat zij spraken, heeft geen vermoed:
Dat weten zij alleen.

Zij rees en ging, een blank gebed,
De duistre gang die leidt
Naar de enge cel en 't smalle bed
Als gistren en altijd.

Des morgens na de vroege mis
Was vreugd en lofzang in de weer:
Maria wier liefde onpeilbaar is,
Kwam uit den hemel wer!

O stil en stom stond Beatrijs,
Tot Moeder zelf haar tong ontbond.
Zij zong Gods moeder heur eigen wijs
Die geen verstond.

Geen zuster speurde wat was geschied,
Geen zuster sprak ze ervan,
Omdat die zelve weet en ziet,
Alleen vergeven kan.

Zij bleef de minste der zustren al,
En needrig was haar taak en werk:
Zij luidde de klok en keerde de hal
En de stille lege kerk.

En sloot en opende de poort
Met handen ter voor dag en nacht,
Als haar stille lach en zachte woord
Der mensen harten placht.

En kende alom in dorp en duin
Al kinderogen diep en klaar
Als in den bonten kloostertuin
De bloemen van het jaar.

En alle vreugd waarlangs zij kwam,
Schoot op als een bloem en bloeide hoog;
En licht was het deel dat ze overnam
Van smart waartoe zij boog.

En of zij vastte of zong of bad,
Haar was of heur leven zelf bewoog
in de straten van Gods lichte stad
En onder moeders oog.

Zoo was haar doen n zuivre vreugd
Een orgel dat speelt zacht en ver
Zijn hymnen aan Maria's deugd:
O hemels deur, o morgenster!

Hoe dikwijls wies de jonge maan?
Hoe dikwijls zong zijn zomerlied
De wind door vloed van koorn en blan? -
Beatrijs wist het niet.

O snel verteert de gouden vlam
De levensolie en de kracht
Der ziel die brandt voor God als lamp
Bij dag en nacht.

Zij doofde en stierf: in stille kerk
Sliep ze in Maria's tijdlijk kleed.
Een andre zuster deed het werk
Dat eens Maria deed.

Doch weinig zonnen stegen, en
Daar kwam een pelgrim moede en grijs,
Die vroeg den laatste zegen en
Zijn graf naast Beatrijs.

Hij deed zijn sober kort verhaal
Dat telde de jaren van Mei tot Mei,
Voor al de zustren in de zaal.
En toen verstonden zij.

Dit is de sproke van Beatrijs.
Ik schreef haar uit op weinig blan
In zulk een klaren en simple wijs
Als kinderen verstaan.

Want van al heiligen wier voet
De weiden treedt van hemelsch tijm,
Had niemand met Maria zoet
Zo ter geheim -

Maria die woont hoog en stil
Boven der engelen prijs en lof,
Die kiest van zielen wie zij wil,
Tot rozen in haren hof -

Die weet hoe schoon karmijnen roos
Verbleeke in 't vuur van felle smart,
Hoe schoon berouw tot purper blooz'
Der blanken rozen hart -

Die zelve leed aan Jezus' voet
Smart die geen heerlijkheid vergeet:
Maria die meest beminnen moet
Al hart dat zwaar doorsneed.

krantenartikel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

top